Het Straatleven of het Leven op straat.           

Dat "lieve-leventje" begon 's morgens al, wanneer de ijverige huisvrouwen de trappen, hun kleden, lopers e.d. naar buiten sleepten, deze over de trapleer (welke voorzien was van een stok) heenhingen en met de mattekloppers bewerkten. Omdat vooral op Vrijdag, als het huis een grote beurt kreeg, velen tegelijk klopten, gaf dit een ritmisch concert. De hij-klopt-hij-veegt-hij-zuigt was door Hoover wel in de winkels gebracht, maar werd als een duur nieuwigheidje nu niet bepaald met gejuich in huis gehaald.
Klokslag 10 uur moest dat alles van straat verdwenen zijn anders kreeg men een bekeuring.


Omstreeks deze tijd kwam de rateljongen van de Stadsreiniging netjes huis aan huis aan bellen, wat betekende dat de Askar in aantocht was. Dan pas werden de as-emmers en as-bakken buiten gezet, wat een gevarieerd beeld gaf door de verscheidenheid van uitvoeringen. Oude afgedankte emmers, gammele kisten en van de kruidenier verkregen glycerinezeepbussen van gegolfd blik waren wel in de meerderheid. Eenzaam stonden hier en daar de kunstig vervaardigde houten bakken met deksel onze "huisvlijt" te vertegenwoordigen.
Doordat iedereen een kolenkachel en vaak nog een dito fornuis bezat, waren de sintels en het as van dusdanige hoeveelheid dat men nooit van vuilnisbak sprak, vandaar de as-bak. Tijdens het leegstorten in de openstaande vuilniskar kreeg het stof dus de kans spontaan aan de andere kant weg te zweven.
Geen nood, daar komt reeds de spuitkar de straat inrijden, voorzien van een haspel met slang en standpijp. De bedienende man sluit een en ander aan in een waterleidingput en gaat de hele straat grondig schoonspuiten.(toen..) nog niet gehinderd door lastig geparkeerde auto's.

Nu wachtte de schone straat op de dingen die komen zouden en wat niet lang op zich liet wachten, want van verre klonk het reeds "Stoelé te matté". Met deze roep meldde zich reeds de eerste aan. Meestal torste hij al enige stoelen op zijn schouders, waarvan de gevlochten zittingen er bij hingen. Heel rustig laadde hij bij een nieuwe klandizie daar nog enkele stoelen bovenop.
       

Na zo'n torser was de man met de hoedendozen die zowat onder zijn handel schuilging. Wat hij eigenlijk uitriep was niet te verstaan. Het begon met enige hese geluiden en eindigde met een harde rauwe kreet.
De volgende kreet was duidelijker: "Ketels te lappé". Was in die jaren de bodem van pan of ketel doorgebrand, dan kocht men vast geen nieuwe, maar liet een andere bodem onderzetten.
Voor de afwisseling zorgde een draaiorgel of een of andere "zanger". Zo herinner ik mij een broodmager figuur op een race-fiets, die eerst eens waarnam of er wel voldoende publiek bij de ramen was, om dan, al slaande op zijn tamboerijn, steevast zijn enige nummer ten gehore te brengen van Laten wij samen naar Hawaii gaan. Na de laatste regel rijmde hij: Mijn kleine vrouw, Au,Au,Au terwijl hij zich op de maat met zijn tamboerijn op zijn hoofd ramde.Kwam dan een smeris aanrijden dan sprong hij op zijn race-fiets en had zijn publiek een gratis voorstelling genoten.
"Voddó en bénó, aukléérkoop" was een veelgehoorde roep. In deze branche hadden een paar gewiekste "zakenlieden" er iets op gevonden....Zij ruilden de vodden in voor kleine stukjes speelgoed, waardoor ze altijd op de "medewerking" van de jeugd konden rekenen. Deze gingen bij hun moeders zeuren om afdankertjes.  Maar vaak ook verdween dan plotseling iets bruikbaars uit de kast.
De Zondagmorgen werd o.a. ingeluid met "Vers brood, zo van de bakkerij" en die dag eindigde met "Lees de Cetem met alle sport uitslagen." Omdat niet iedereen radio bezat en "Langs de Lijn" ook niet bestond, ging men bij sommige sigarenwinkels deze uitslagen bekijken, welke op grote borden steeds bijgeschrven werden. Met die Cetem deed men dat rustig thuis.
Een nieuwe "verwensing" is daaruit ontstaan. Bij een ruzie schreeuwde men: "Krijg 't Cetem, dan heb je alle uitslagen tegelijk".

Terug.