

Nu wij weer eens op het hellend vlak van onze
economie geraken, gaan de gedachten van vele ouderen terug naar de miserabele 30er
jaren. Zoals U reeds uit de drie voorafgaande nummers hebt kunnen opmaken was
dat z.g. "Levendige straatgebeuren" heus niet voor de lol, maar echt
bittere noodzaak.
Vele werklozen, die of niet in de "Steun" wilden of daar niet voor in
aanmerking kwamen probeerden op alle mogelijke (en onmogelijke) manieren aan de
kost te komen al of niet met wisselend succes.
Enkele ondernemende lieden vonden daar iets op.
Zo ontstond o.a. de "Kattebak-Centrale". Door de gehele stad zag je
hun bakfietsen. Voor een gering bedrag werden de vuile bakken opgehaald en
omgewisseld voor schone.
Daarin zag weer een liedjesmaker brood en deze rijmelde de volgende
"Schone"schlager (zo noemde men vroeger een tophit):
Ik kom van de kattebakcentrale
en kom de vuile kattebakke hale
Juffrouw, laat je katje rustig kakke
O, grote goedheid,wat stinke die vieze bakke enz.enz.
Maar ook de vuilnisemmer werd niet vergeten, want
weer anderen brachten de "Vuilnisbakcentrale" tot leven waartoe zij in
hoofdzaak vele jongeren aantrokken om dit zware werk uit te voeren, want slopend
was dit wel....
Straat na straat, huis aan huis, eerst naar de derde etage zo een loodzware bak
oo pakken en het hengsel aan vier vingers op de rug gehangen, dan een trap lager
de tweede bak, deze met de duim voor tegen de borst aan en een hoog de derde bak
aan de rechter hand. Zo afgeladen naar beneden tot de stoeprand. Nadat de
vuilnisman deze stalen emmers geleegd had kwam men met een tankkarretje de
emmers grondig schoonspoelen en dan werden deze weer, drie tegelijk de trappen
op naar boven gesjouwd en nog in een hoog tempo ook. Dit kostte de klant enkele
kwartjes per maand.
Diegenen onder U die gedurende de na-oorlogse
jaren met de eigen emmer liepen te zeulen begrijpen wat voor een slavenbaan dit
was.
Een onderneming met licht werk was de "Bellenpoetscentrale" die ook de
deurknoppen liet glimmen, welke geestdodende bezigheid toch nog de nodige
dubbeltjes opbracht. En een uitgever zag zijn kans schoon met het laten
verschijnen van een boekwerkje getiteld: "Hoe werklozen aan de slag kunnen
komen."
Barbiers waren er te kust en te keur, overal.
(Knippen en scheren voor nog geen twee kwartjes)
Rijwielstallingen verrezen als paddestoelen uit de grond. Alleen al in onze
buurt, begrensd door Kostverlorenkade, Bilderdijk- en Kinkerstraat hadden wij de
keus uit zo'n 15 bewaakte stallingen, waar je karretje keurig door de
fietsenbaas werd aangereikt respectievelijk aangenomen en in de rekken
geplaatst. De openingstijden waren van 's morgens zes tot 's avonds 12 uur. 's
Zondags ook enkele uren. De prijs 65 cent per maand.
Alleen al in de Elisabeth Wolffstraat zaten drie "concurrenten"
op een steenworp afstand van elkaar en zij waren alle drie nog heel vol ook.
Behalve de vaste venters gaven ook vele colporteurs blijk van hun
verkooptechniek. Hartverscheurende bedelbrieven en dito drukwerken werden in de
bus gevonden met de mededeling dat de schrijver daarvan de volgende dag antwoord
zou komen halen....
Een steeds weer terugkerende "koopman" kondigde zichzelf aan (na eerst
alle bellen met een stok ingedrukt te hebben) "Het mannetje op het stoeltje
dat een keer per jaar komt." Deze tragische figuur had verlamde
benen, welke steun vonden in zware leren kokers en hij bewoog zich voort,
zittend op den laag stoeltje al draaiend van de linker op de rechter stoelpoten.
Stopte men hem wat geld toe dan smeet hij een potlood naar de gever, dit gepaard
gaande onder de ergste vervloekingen: "hij was geen bedelaar, maar een
koopman in schrijfgerei".
Een handige drukker vond daar wat op. Hij ging rond met kaarten om achter het
deurraampje te hangen, luidende:
Aan de deur wordt niet gekocht, ongevraagd drukwerk wordt niet teruggegeven.
Maar erg veel hielp dit niet....