
De beide optochten van historiscshe door paarden
getrokken koetsen, welke onze buurt met een bezoek vereerden, lieten ons
duidelijk zien hoe of het er vroeger aan toe ging. Vooral de kleding uit die
tijd, waarin de inzittenden zich gehuld hadden, brachten mij op de gedachte om
eens in mijn verre herinneringen dienaangaande terug te duiken, toen men fraai
be-hoed en stevig geschoeid ging. Want zo gemakkelijk als men in
onze tegennwoordige tijd even in de allernodigste kleding duikt, zo erg
ingewikkeld ging het zelfs tot in de dertiger jaren onzer verlichte eeuw
toe.
Vadermoordenaars, een jas met staldeuren, de boorden en manchetten
en voorfrontjes van kil-hard celluloid en hardgesteven overhemden,
de zelfstrikkers, de zware bretels en die sokken(op)houders,
hoge rijgschoenen of lakschoenen met gummi-overschoenen en slobkousen
spreken voor zichzelf.
Men "omhing" zich met vele lagen kleding: het zeer lange Jäger-hemd
met slippen en lange mouwen, ook een Jäger-onderbroek met lange pijpen,
dan nog een borstrok en daarover dat genoemde overhemd. Het costuum was drie-delig
en de overjas was lang en zwaar als Ulster of lichter zoals de
Demi-Saisons.
De zakken waren gevuld met vele accessoires. Het gouden, zilveren of nikkelen
horloge met zware ketting. Meestal was dit het z.g "Spoorklokje", een
begrip in die jaren. Vervolgens de "brieventas", dus de portefeuille,
een lederen sigarenetui, sigarenknipper, "vuurmaker" (metalen
aansteker), vaak nog een ziilveren tabaksdoosje voor de "Negerit" (dat
was dus beschaafd pruimen), portemonnaie met die vele vakjes, vulpenhouder,
vulpotlood etc. En altijd een sierlijke wandelstok met fraaie knop Hoge
hoed (cylinder), bolhoed, slappe gleufhoed, het z.g. strooien-dakkie en 't
lokkertje in de borstzak. Men had door-de-weekse en Zondagse kleding en
schoeisel (als het maar even kon).

Zo liepen wij jongens 's Zondags veelal uitgedost
in een matrozenpakje, compleet met braniekraag en marinemuts met linten. (het op
de mouw geborduurde gouden anker vond ik wel het mooiste). Ook voor mij was er
dan een wandelstokje, met als handvat een geknield paardenbeen in zilver, maar
dit liet ik mooi thuis, want (netjes) hoepelen vond ik veel leuker dan dat
keurig meewandelen. Tijjdens slecht weer gingen wij gehuld in een fladderende
cape met capuchon, wat een straf was..... Blootshoofds was er voor de kinderen
van toen nooit bij, want petje of muts moest.
Later werd de rijbroek erg populair, gevolgd door de plusfour (welke ook wel als
aardappelenzak of drollenvanger de geschiedenis in ging). Kleurrijke sportkousen
vervolmaakten het geheel.

Dat, wat ik mij van de dameskleding kan herinneren, was wel dat deze zeer lang
was en geheel tot op de grond reikte. Met de wijde uitlopende rokken werd maar
al te vaak de straat "aangeveegd",
De zeer grote hoeden waren een soort fruitmanden of een compleet nest met
vogel(s). Om deze gevaarten op hun plaats te houden werden lange hoedenspelden
gebruikt, met puntenbeschermers. Zomer of winter, vele dames droegen gracieus
ook nog een (of twee) vossen over hun schouder(s), compleet met kop en twee
bengelende pootjes. Door de ruime mantelzakken was een tas niet zo nodig,
maar dan werd wel een sierlijk, slank opgevouwen paraplui of parasolletje in de
altijd weer gehandschoeide vingers als een soort dameswandelstok gehanteerd. Als
zo een opgetuigd slagschip zich van haar zetel ging verheffen kon je een
toeschouwer wel eens horen zeggen: "Kijk eens aan, het gevaarte komt in
beweging". Kwajongens riepen Kakmadam.
Hoe die damesgarderobe verder in elkaar zat en
was opgebouwd is mij toen onduidelijk gebleven aangezien in die tijdsperiode mij
die leeftijd en dus de nodige ervaring ontbrak daarnaar een gedegen onderzoek in
te stellen. Mijn verontschuldiging voor dit falen....
Maar misschien is er wel een oudere lezeres, die daarover voor onze buurtkrant
een aardig verhaaltje wil samenstellen.!?
Daar wachten wiij dan maar op.

Vondelpark in 1916. Moeder met de schrijver van
deze stukjes, die toen nog niets te vertellen had.