
Toen ik een kleine jongen was, nu een jaar of zestig geleden, lag de Kinkerstraat aan de uiterste rand van de stad. De straat begon bij de Elandsgracht, waar toen nog de "Appelenmarkt" was en eindigde vlak voorbij de Lootsstraat. Daar liep de Kinkerstraat dood. Aan het eind stond een houten hok en daarachter, in de diepte, liep een prutsloot.

Links is de Lootsstraat. We staan aan het eind
van de Kinkerstraat, kijkend
naar Nieuw-West. De schoorsteen in het midden is het stoomgemaal
"Kostverloren".
En daar voorbij lag een tuin, een bloemisterij.
De huizen aan de Noordkant, de even kant van de Kinkerstraat, waar wij woonden,
keken uit over die tuin. Achteraan die tuin stond het huis van de bloemist,
Reijenga heette hij. Dat was bij de Kostverlorenvaart, maar wij zeiden altijd
"De Baarsjes."
Voor ons huis was het eindpunt van lijn 7. Daar stond een tramhuisje en er lagen
wissels. Voordat de tram weer vertrok, haalde de wagenbestuurder aan een touw de
beugel naar beneden en "haalde hem om".
Ondanks de tram was de Kinkerstraat toen nog een rustige straat, waarschijnlijk
omdat hij doodliep. De tramrails liepen over het midden en tussen de rails en de
stoep stonden bomen. En juist die bomenrijen maakten onze straat zo gezellig en
in onze ogen zo voornaam. Tussen de bomen en de stoep liep een ventweg. Auto's
waren er nog bijna niet en het ventwerk werd met handkarren gedaan.
Natuurlijk kwamen er ook vuilniswagens maar die reden erg voorzichtig en gaven
geen problemen, zodat de rusts gehandhaafd werd.

Ook fotografie was in die tijd nog iets nieuws.
Als magazijn
De Kroon een foto voor zijn adreskaart laat maken, loopt
de hele Kinkerstraat te hoop.
Wij hadden ook een keer dat er een slijper met
zijn vrouw en zeven kinderen boven ons kwam wonen. Die moesten allemaal in een
klein zijkamertje, een alkoof en de voorkamer worden gestouwd. De man was vaak
werkeloos en heeft tenslotte geprobeerd de kost te verdienen in de groenten- en
fruithandel. De familie is toen aan de overkant van de straat een winkel
begonnen.
Tegenover ons was ook een snoepwinkel met een snoeptafel. Er stond ook een
olievat waaruit de vrouw een kan olie kon pompen. Als we één cent of een
"halfje" hadden gingen we daarheen.
En dan was er nog een sigarenmagazijn, die ook Meij's linnen en papieren
boorden verkocht. Ik moest er 's Zondagsochtends dikwijls vier Borneo-sigaren
voor een dubbeltje halen. Die kreeg je in een zakje met een rebus er op.
En dan naast ons, daar woonde een bakker. Mijn moeder kreeg van de juffrouw wel
eens meelzakjes en als je die wastte en bleekte kon je er heel goede hemden van
maken. Op de hoek van de Kinkerstraat en de Jan Pieter Heye (doodlopend stuk)
was de kruidenier. Die had ook een olievat, maar je kon er ook voor een cent
mosterd in een kommetje halen, of een scheutje azijn.....
Waar is de tijd....