

In die tijd, toen paarde-tractie nog een gewoon
straatbeeld was wilden jochies graag paardjerijden en wel op (groot)vaders knie,
waarbij het rijtempo aangepast werd met de tekst:
"Het karrepaard gaat sjok-sjok,
het damespaard loopt hop-hop en
het renpaard remmerderamber...
Ook kleine meisjes wilden wel zo iets, dat ging dan als volgt:
Aaltje zat op een paaltje
Wip zei 't paaltje
dan ging de knie ineens omhoog en verdween
opzij.
Weg was ' paaltje.
| In geval van een akelige hik
moest je in één adem opzeggen: Hik - sprik -sprouw ik geef de hik aan jouw ik geef hem aan een anderman die de hik goed verdragen kan of Ik heb de hik, ik heb ze dik, geef het aan Jan die 't goed verdragen kan Mijn zusje zeurde nog wel eens om een snoepje en kreeg dan te horen: Meisjes die vragen Worden overgeslagen Meisjes die zwijgen Kunnen alles krijgen. Na bedremmeld te zijn weggelopen kwam ze later terug en zei: Mama,...........ik zwijg..... en dat had wel succes. |
![]() Heb je wel gehoord Van die holle-bolle wagen waar die bolle Gijs op zat ? Die kon schrokken grote brokken een koe en een half en een heel paard (half) en een os en een stier en zeven vaten bier en een schuit vol schapen en......nog kon Gijs van de honger niet slapen. Raadsel (wat nu geen kind meer kent) Een houten huisje een koperen kluisje een ijzeren draaiom in 't gat ra ra wat is dat? dat was een koffiemolen van Oma toen. |
De toestemming om op straat te mogen spelen
kreeg vaak de toevoeging mee: "Als
je maar niet in zeven sloten tegelijk zit."
Als joch wilde ik mij nog wel eens verdienstelijk maken en vroeg aan een
koetsier of chauffeur: "Baas, mag ik mee helpen lossen?". Mocht dat
dan was de opmerking van voorbijgangers: "Als de knecht een knechie heeft
dan heeft zijn baas er twee."
Was de vrachtrijder daar niet van gediend kreeg je te horen: "Jongen, ga
naar je moeder en pies de kommetjes vol."
Toen in het begin van deze eeuw de Maggi-soep-producten hier hun bekendheid
begonnen te krijgen stond er op de Nieuwmarkt een koopman met een
kruidenstalletje. Deze man galmde: Voor een dubbeltje foelie en voor een kwartje
maggie.
Vroeg je plat aan iemand: "Wie loat tis ut ?, dan kreeg je meestal als
antwoord: "Pilatus is dood" of "Kwart over de sluis, als je hard
loopt ben je vlug thuis."
Diverse gezegden:
In het begin van 1900 was het gewoon dat een nieuwe arbeidsgezel zijn eigen
werkkleding en handgereedschap in een zak meebracht die daar bleef. Kreeg hij om
de een of andere reden zijn ontslag dan kreeg hij "DE ZAK".
Later, toen er wekelijks door de baas rentezegels voor hem geplakt moesten
worden (Ziekte- en Invaliditeitswet), toen werd de algemene uitdrukking gangbaar
dat hij zijn rentekaart wel op kon halen.
Moest zich eens een werknemer bij de portier melden, dan heette het:" D'r
staat een vrouw met een baby aan de poort."
Een halve dag werken b.v. Koninginnedag of tijdens Oudejaarsdag noemde men een
Blinde-Zaterdag omdat dan geen weekloon werd gevangen.
Een "witwerkerstafeltje" was eens de bekende benaming voor een
ongeschilderd vurenhouten keukenmeubeltje, hetwelk bij vele timmerwinkels en op
het Amstelveld te koop was. Doordat dit ook steeds weer schoongeschuurd werd
bleef het deze populaire naam behouden....
Straatliedjes:
| Hadiadoe Mijnheer Colijn,
hadiadoe Ik zou wel willen maar ik mag 't niet van me moe, als ik 't van m'n vader mag, nou dan deed ik 't elke dag hadiadoe, hadiadoe, hadfiadoe. Ik heb eens in een boekie gelezen Ach moeder geef mij toch een man, fideldy, |
Had er eentje last van
gasvorming zodat horen en zien je verging dan kreeg de veroorzaker te horen: Nou, jij bent ook nog laat open voor zo'n klein rot zakie..." Raadseltje wat als uitkomst de toen veel
gedragen hand-mof-van-bontwerk had: Om de K van Kaatje
|
Met dit alles heb ik "slechts" weergegeven wat gedurende die jaren overbekend was.